Met toestemming van de auteur over genomen uit 'The Study Companion to the Keys of the Kingdom Bible'.


Twaalf woorden zijn verkeerd vertaald en verbergen zo de twaalf stammen van Israël - en vernietigen het narratief van Gods beloften aan Zijn oude volk.

De grote en veelvoudige vertaalfouten in de Engelse Bijbels doen elke belangrijke leer van de profeten en apostelen teniet. Elk belangrijke thema is verstoord: wie God is; wie Jezus is; schepping; Gods woorden tot Eva; Gods woorden tot Kain; de vloed; wie de Heilige Geest is; wat de heilige geest is; de structurele identiteit van de mens; de eeuwige bestemmingen van de mens; verkiezing; de dood en opstanding van Christus; zijn nieuw Verbond, de identiteit van het huis van Israël in het Nieuwe Testament en de trouw van God aan hen, de evangeliebelofte van het leven op Aarde in de komende eonen; financiën; de landsbelofte aan de patriarchen; wat het werk van Paulus werkelijk was.

De grote en veelvoudige vertaalfouten doen ook de beloften van God aan de stammen van Israël ontsporen en, zijn daardoor, een verloochening van Zijn trouw onder het nieuwe verbond met het huis van Juda en het huis van Israël.

Deze corruptie van het woord van God is zonder einde voortgezet door de zogenoemde geleerden en uitleggers. Ik zal hier de verkeerde vertaling beschrijven van 12 woorden – 4 Hebreeuwse woorden en 8 Griekse woorden – welke tenietdoen het narratief van Gods trouw aan de twaalf stammen van de Zonen van Israël.

 

קָדוֹש .1 (= qadowsh), Strongs's Concordantie nummer h6918; inferieur vertaalt als "heilig” zoals bijvoorbeeld in Exodus 19/6

Het Hebreeuwse woord קָדוֹש (= qadowsh) wordt gebruikelijk vertaald als “heilig”. Echter, “holy” wordt beter vertaald en beter begrepen als “apart gezet”. De eerste keer dat het voorkomt is als God spreekt door Mozes en zegt tot “de Zonen van Israël” in Exodus 19/5-6:

5“Nu dan, als u werkelijk naar Mijn stem luistert en Mijn Verbond nakomt, dan zult u een verworven schat zijn voor Mijn eigen bezit, boven alle volkeren, want heel de Aarde is van Mij. 6 En u zult voor mij een koninkrijk van priesters en een apart gezet volk zijn. U zult deze woorden spreken tot de Zonen van Israël.”

De Zonen van Israël waren een volk geworden, “een koninkrijk”, welke God apart zou zetten van de andere volkeren en mensen - “een apart gezet volk”. Zij zijn apart gezet als een speciale schat van God, apart van alle andere volkeren en mensen.

De King James Bijbel, evenwel, heeft de frase “heilig volk”. Maar Israël te beschrijven als een “heilig volk” suggereert een kwaliteit van rechtvaardigheid. Was de voortdurende getuigenis betreffende Israël niet anders? Maar de beschrijving van Israël als “een apart gezet volk”, zoals het hoort, suggereert dat God een onderscheid maakt over dit volk welke Hij niet maakt met andere volkeren. Door te zeggen “een heilig volk” wordt Israël niet afgezonderd van de andere volkeren, maar door de spreken over “een apart gezet volk” sluit het alle andere volkeren uit. En het zal andere volkeren uitsluiten omdat, zoals het vorige vers zegt, Israël was Gods “eigen bezit boven alle volkeren” (Exodus 19/5). Deze woorden waren gericht aan “de Zonen van Israël”.

Verder, wanneer קָדוֹש (=qadowsh) correct is vertaald, zien we “u zult zijn, want Ik ben” (Leviticus 11/44), wat betekent “u zult zijn apart gezet, omdat Ik apart gezet ben”. Elke individu of groep mensen geroepen tot God moet apart worden gezet voor Hem en ook apart gezet van andere individuen en groepen van mensen.  Door het woord van God zien we mannen en vrouwen, geroepen om apart gezet te worden.

De vertaling van קָדוֹש als “holy” betreffende Israël vernietigt het feit dat Israël apart is gezet door God op een manier waarop geen ander volk is apart gezet. De correcte vertaling van קָדוֹש als “apart gezet” maakt onderscheid tussen Israël en de andere volkeren. God handelt met de Zonen van Israël op een manier waarop Hij niet handelt met andere mensen of volkeren.

 

  1. άγιος (= hagios), Strong's Concordantie nummer g40; inferieur vertaalt als "heilig” zoals bijvoorbeeld in 1 Petrus 2/10

Evenmin is "heilig” de beste betekenis van het Griekse bijvoegelijk naamwoord άγιος (= hagios) of het bijbehorende werkwoord άγιάζω (= hagiazo). Deze zijn ook niet het best weergegeven in de Engelse vertaling als “heilig”. "Afgescheidenheid”, “toewijding” “apart gezet” zijn en “aangewezen” vertegenwoordigt een beter begrijpen van hun betekenis.

άγιος (= hagios) is de Griekse equivalent van het Hebreeuwse woord קָדוֹש (= qadowsh).

In 1 Korinthe 3/3-4 noemt Paulus zijn lezers “vleselijk van aard”.  Doch in zijn opening in 1 Korinthe 1/2 en in 3/17 spreekt hij hen toe als άγιος - dus “heilig”, een woord geassocieerd met een rechtvaardige geestesgesteldheid, dit is eigenlijk geen passende betekenis voor άγιος. Hij richtte zich tot hen als tot “apart gezette mensen”. Paulus richt zich in zijn brieven gebruikelijk tot “de apart gezette mensen” (Romeinen 1/7, 1 Korinthiërs 1/2, 2 Korinthiërs 1/1, Efeziërs 1/1, Filippenzen 1/1, Kolossenzen 1/2), creëert een link die teruggaat naar de woorden van Mozes in Exodus 19/5-6.

In 1 Korinthiërs 7/34 zien we άγιος als “set apart”: “De ongehuwde vrouw zorgt voor de dingen van de Heer, zodat zij zowel in lichaam als in geest apart gezet zou worden”.

Op dezelfde manier is het werkwoord άγιάζω (= hagiazo) veel beter met “apart zetten”.  Zoals in Mattheus 6/9 en Lukas 11/2: “moge Uw naam worden apart gezet”. Dat betekent, apart gezet van al de namen van valse goden en afgoden. In 1 Petrus 3/15 zien we άγιάζω als “apart gezet”- “Zet de Heer God apart in uw harten”.

In 1 Thessalonicenzen 3/13, voor het bijbehorende zelfstandig naamwoord άγιωσύνη (hagiosunee) is het niet “heiligheid” maar “afgescheidenheid”, Paulus zegt, “vestig uw harten in afgescheidenheid voor God en onze Vader. Dat spreekt naar mijn hart! Gelovigen zijn geroepen om afgescheiden van de wereldse religieus systemen en filosofieën. En in Hebreeën 12/14: “Streef naar vrede met iedereen en naar afzondering, zonder dit zal niemand de Heer zien.”

Nu, wanneer we komen bij 1 Petrus 2/9, is er een prachtige interne harmonie gevestigd als we άγιος correct vertalen. De woorden van Petrus zijn een overduidelijke echo van de woorden van Mozes in Exodus 19/5-6, Petrus zegt:

9 “U, evenwel, bent een verkozen ras, een koninklijk priesterschap, een apart gezet volk, een volk dat bestemd is als een speciaal bezit opdat u de deugden mag verkondigen van Hem Die u geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wondervol licht.”

en in Exodus 19/5-6:

5 “..... zult u een verworven schat zijn voor Mijn eigen bezit, boven alle volkeren, want heel de Aarde is van Mij. 6 En u zult voor mij een koninkrijk van priesters en een apart gezet volk zijn.”

Petrus schreef aan de verstrooiden van Israël (zie 1 Petrus 1/1). Door Petrus' woorden weten we dat de zonen van Israël, het huis van Jacob, niet zijn verlaten door in Gods ogen irrelevant te worden, zoals sommigen beweren, en we zien dat God nog steeds kijkt door Zijn beloften, gedaan aan de zonen van Israël. Daarom zijn we niet verrast als we “de namen van de twaalf stammen van de Zonen van Israël” in het Nieuw Jeruzalem zien (Openbaringen 21/12). Niet alleen zien we Gods trouw, maar ook een mooie interne harmonie tussen de woorden van Mozes, de woorden van Petrus, de geadresseerden in de brieven van Paulus, en Johannes' visioen van het Nieuwe Jeruzalem.

Vertaal deze woorden en hun verbindingen met “heilig” en elke gebeurtenis is één ding. Maar sommige vertalers doen iets ergers. Ik kijk naar een hedendaagse versie. Het opent Efeziërs met “aan de heiligen die in Efeze zijn”. En zo hebben veel versies het woord “heiligen” geschreven in plaats van “apart gezette mensen”. Een “heilige” is een fictieve, als monnik geklede figuur in een schilderij, met de voeten op de grond en een plaat achter zijn hoofd. Als de vertaling is gecorrigeerd met “apart gezette mensen”, dan is de connectie met Exodus 19/6 en 1 Petrus 2/9 - en alles daar tussenin - hersteld. Zo is Gods trouw aan Zijn volk hersteld. “Heiligen” verwoest het.

  1. έκκλησία (= Ecclesia), Strong's Concordantie nummer g1577; verkeerd vertaald als "kerk” zoals bijvoorbeeld, Mattheüs 16/18

Het woord έκκλησία (= Ecclesia) betreft die waarvan Jezus zei “Ik zal mijn Ecclesia bouwen” (Mattheüs 16/18). Hebreeën spreekt van dezelfde “Ecclesia van de eerstgeborenen” (Hebreeën 12/23), deze Hebreeën, de twaalf stammen, het zaad van Izak, verzoend in Christus. Zij zijn “de Ecclesia, welke is zijn lichaam” (Efeziërs 1/22-23).

Deze “Ecclesia van de eerstgeborenen” is de “grote vergadering” (Psalm 22/25) waarover de profeet David sprak:

22     Ik zal Uw naam verklaren aan mijn broeders; ik zal U prijzen in de vergadering.

23     U die vol ontzag voor Yahweh staat, looft Hem; al u, zaad van Jacob, verheerlijk Hem, en vereer Hem, al u, zaad van Israël ...

25     Mijn lof zal zijn voor Hem in de grote Ecclesia [vergadering]. ~ Psalm 22/22-25

We weten dat dit de Ecclesia is, omdat het is geciteerd in Hebreeën:

12 Ik zal Uw naam verklaren aan mijn broeders;

In de aanwezigheid van de Ecclesia zal ik lof zingen tot U. ~ Hebreeën 2/12

Deze Ecclesia, dan, is de “vergadering” waarover David sprak. Davids woord voor “vergadering” is קהל (= qahal), wat, over het algemeen, betekent “samengeroepen”. Ecclesia betekent ook “eruit geroepen”. Wanneer ik denk aan Davids beloften om God te loven in “de grote vergadering” denk ik aan al de Israëlieten in het Heiligdom van God, lovende God met een machtige klank en prachtige instrumenten.

Als Mattheüs zijn verslag in het Hebreeuws had geschreven in plaats van het Grieks zou hij geen έκκλησία hebben geschreven maar קהל (= qahal), dus als Jezus zegt, “Ik zal mijn Qahal bouwen” (Mattheüs 16/18). Ik heb vertaling van een Nieuwe Testament in het Hebreeuws en daar is dit woord gebruikt, קהל (= qahal).

Paulus’ Ecclesia is dezelfde vergadering als Davids “Ecclesia van eerstgeborenen” (Hebreeën 12/23). Paulus riep op zijn reizen de Ecclesia groepen tezamen, de Qahals, we zouden kunnen zeggen, verengels het woord. (Of neem het op in de Nederlandse taal.)

Ik (misschien enigszins excentriek) kapitaliseer έκκλησία als “Ecclesia” om het belang ervan te benadrukken. Het is een gezaghebbend lichaam welke met God en Christus zal regeren in het Nieuw Jeruzalem wanneer de belofte is vervuld aan de twaalf stammen van Israël om te komen “boven alle natiën van de Aarde”.

Echter, in vertalingen zoals de King James Bijbel, is de Ecclesia van Jezus als iets anders beschreven. Het laat hem zeggen over zijn Ecclesia, “Ik zal mijn kerk bouwen”. En het doet hetzelfde betreffende al de Ecclesia groepen, noemende hen “kerken”. Het effect hiervan is dat de gedachten omschakelen van Israël en niet langer denken aan David en de Israëlieten in het Heiligdom, maar van de Europese kerkgebouwen met gemengde hoorders. Dus het woord “kerk” voor elke Engelstalige geeft een beeld van een gebouw, één van de gebouwen en bijeenkomsten van het Christendom in hun verschillende vormen. Maar geen van deze gebouwen en samenkomsten zijn een representatie van de Ecclesia en overblijfsel van Jezus Christus, gemengd met vreemde leringen, vreemde praktijken, bemiddelaars, afgodische iconen, post-Babylonische kostuums, die meerdere of zelfs veel mensen onder dit alles niet geloven nog begrijpen.

Het woord “kerk” verscheen in de vroege Engelse versies - Wycliffe's vertaling uit 1380 heeft het – en de citadellen van het Christendom bestaan al sinds honderden jaren voor Wycliffe, dus het beeld van gebouwen en gemengde samenkomsten zijn een lange en diepe erfenis. (Wycliffe, evenwel, moet worden verontschuldigd, eigenlijk hartelijk gefeliciteerd en beloond voor zijn oppositie tegen de authoriteiten, en voor zijn hart voor zijn volk.)

Het woord “kerk” en “kerken” duidt niet op de Ecclesia waarover Jezus profeteerde, noch de קהל (= qahal) waaarover David profeteerde, noch de Ecclesia zoals door Paulus voorgesteld (Hebreeën 2/12), die dezelfde zijn als “de Ecclesia van de eerstgeborene”, het zaad van Izaäk, het huis van Jakob. Zij vertegenwoordigen iets heel anders in de geesten van mensen. Door ze te gebruiken in de geschriften van het Nieuwe Verbond is een vloek in de rivier van leven. Het knipt de gouden draad van het prachtige narratief van de twaalf stammen van Israël. Het doet het hele verhaal ontsporen, en fabriceert een nieuw narratief.

Het woord “kerk” geeft rechtvaardiging aan het internationale religieuze systeem. Maar Jezus zal zijn Ecclesia bouwen, “de Ecclesia van de eerstgeborene”, niet “de Europese en Internationale kerk van iedereen”.

De Ecclesia is het huis van Jacob, de twaalf stammen – en Jezus “zal gedurende de eonen regeren over het huis van Jakob" (Lukas 1/33). Jezus zei tot zijn discipelen dat, wanneer hij plaats heeft genomen op zijn regeringszetel, zij met hem zullen zitten “op de twaalf tronen, heersende over de twaalf stammen van Israël” (Mattheüs 19/28). Bovendien, zag Johannes in zijn visioen in het nieuwe Jeruzalem de namen “van de twaalf stammen van de Zonen van Israël” en “de twaalf apostelen van het Lam” (Openbaringen 21/12-13).

שמ׳ם .4 (= shamayim), Strong's Concordantie nummer h8064; verkeerd vertaald als "hemelen” zoals bijvoorbeeld, Deuteronomium 11/21 Deuteronomium 11/21 zegt dit:                                                                                                                   

20 “En u zult ze schrijven op de deurposten van uw huis, en op uw poorten, 21 zodat uw dagen mogen vermenigvuldigen, en de dagen van uw kinderen, in het land dat Yahweh aan uw vaders heeft gezworen om hun te geven, als de dagen van de verheven mensen op Aarde.”

Het woord dat in de vertaling is weergegeven als “een verheven volk” is שמ׳ם (= shamayim). Dat is een gebruikelijk woord voor “luchten” of “hemelen”. Hier heeft het alleen betekenis als we het begrijpen als “een verheven volk.

Dit is de voortzetting van het narratief van Gods belofte aan Abraham dat Hij hem zou maken tot “een machtige natie” (Genesis 12/2), en aan Mozes dat de Zonen van Israël “een apart gezette natie” zullen zijn (Exodus 19/5).

Echter ... waar Deuteronomium 11/21spreekt over de Zonen van Israël in uitdrukking “de dagen van het verheven volk op Aarde”, heeft de King James Bijbel de merkwaardige uitdrukking “de dagen van de hemelen op aarde”. Dit is betekenisloos, zelfs komisch, en het ontspoort het narratief van de promotie van de Zonen van Israël om “hoog boven al de naties van de Aarde” te zijn. De dagen van de hemelen op de Aarde ...? Het is onzin. Hoeveel lezers beseffen dat?

Dit woord heeft alleen betekenis in Deuteronomium 11/21 als het begrepen wordt als “de verheven mensen” die de Zonen van Israël zijn.

Deuteronomium 7/6 zegt tot de Zonen van Israël: “u bent een apart gezet volk voor Yahweh uw Elohim. U bent het die Yahweh uw Elohim heeft gekozen om een speciaal volk voor Hemzelf te zijn, boven al de volkeren op de aardbodem.”

Deuteronomium 7/14 zegt tot de Zonen van Israël: U zult zijn verheven boven alle mensen.”

Deuteronomium 10/15 zegt tot de Zonen van Israël: “Yahweh verheugde zich alleen in uw vaderen, om hen lief te hebben, en Hij koos hun zaad na hen, u boven alle volkeren, zoals het deze dag is.”

In het land dat Yahweh aan uw vaderen heeft gezworen om hun te geven

Deuteronomium 11/21 zegt tot Israël: "uw dagen mogen vermenigvuldigen, en de dagen van uw kinderen, in het land dat Yahweh aan uw vaders heeft gezworen om hun te geven, als de dagen van de meest verheven mensen op Aarde.

Deuteronomium 28/1 zegt tot Israël: “Yahweh uw Elohim zal u hoog boven alle naties van de Aarde” zetten. Ja, dit was voorwaardelijk, maar God maakt een nieuw en beter Verbond.)

In Deuteronomium 11/21 de uitdrukking “de dagen van het verheven volk op Aarde” kijkt vooruit naar die grote dag wanneer Christus zijn troon zal bestijgen, en met hem zullen de twaalf stammen van de zonen van Israël heersen over de Aarde als een gezaghebbend lichaam met God en Christus (Lukas 1/33, Mattheüs 19/28, Openbaringen 21/12-14).) [1]

  1. en 6. έπουράνιος (= epouranios), Strong's Concordantie nummer g2032; verkeerd vertaalt als "hemelse plaats” zoals bijvoorbeeld, Efeziërs 1/3 en het bijbehorende woord ούρανός (= ouranos), Strong's Concordantie nummer g3770; verkeerd vertaald zoals bijvoorbeeld, Mattheüs 3/2

Het Griekse woord έπουράνιος (= epouranios) is een afgeleide van ούρανός (= ouranos), een frequent voorkomend woord voor “lucht”, “de hemel”.

In Mattheüs 18/35 gebruikt Jezus έπουράνιος voor zijn Vader in de uitdrukking “de Hemelse” of “de Meest Verhevene”. En in 1 Korinthiërs 15/48, Efeziërs1/3, 2/6, 2/20 en Hebreeën 8/5 gebruikt Paulus het ook voor “de meest verheven man”. En in Fillipenzen 2/10 gebruikt Paulus het voor “hemelse wezens” wat zou kunnen duiden op engelen of verheven mensen of beiden.

In Paulus’ brief aan de Efeziërs, hebben sommige Engelse vertalingen voor έπουράνιος (= epouranios) de uitdrukking “hemelse plaatsen”, en laten Paulus zulke vreemde dingen zeggen dat God ons heeft gezegend “in hemelse plaatsen in Christus” (1/3). Sommige van deze bronnen cursiveren het woord “plaatsen”, zo toegevend dat ze het hebben toegevoegd. Anderen doen zelfs dat niet. Het geeft de indruk dat Paulus’ gehoor op een dag in deze “hemelse plaatsen” zal zijn, hetgeen onweer is: “zij zullen het land erven” (Mattheüs 5/5, Psalm 37).

“Hemelse plaatsen” heeft geen zin. Ten eerste, Jezus komt naar de Aarde. Ten tweede, niemand gaat naar de hemelen. Ten derde, wat is een “hemelse plaats in Christus”? Het is onzin.

Het woord dat ze op zo'n vreemde manier vertalen is έπουράνιος (= epouranios). Los van Otis Sellers’ Resultant Version, welke, evenzo, heeft “de meest verhevene", alleen deze, zoals de Keys of the Kingdom Holy Bible heeft dit woord correct willen vertalen.

Het Griekse woord έπουράνιος betekent geen “hemelse plaatsen”. Niemand gaat naar de hemelen. Velen bidden om de terugkeer van Jezus vanuit de hemelen naar de Aarde, maar tegelijkertijd worden ze onderwezen dat ze naar de hemelen gaan!

Wat Paulus zei in Efeziërs 1/3 zou zo moeten worden gelezen: “Verheven is de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons verhoogd heeft met alle geestelijke verheffing welke is onder de meest verhevene in Christus.”

Het woord voor “meest verhevene” is έπουράνιος (= epouranios).

In Efeziërs 2/6 zegt Paulus: “Hij heeft ons tezamen opgewekt, en ons tezamen laten zitten, onder de meest verhevene in Christus Jezus, opdat hij in de komende eonen de overstijgende rijkdom van zijn genadige goedertierenheid in lieflijkheid jegens ons in Christus Jezus zou tonen.”

Nogmaals, de “meest verhevene” is έπουράνιος (= epouranios).

En in Efeziërs 1/20-22: “Hij wekte Christus op van de dood en zette hem aan Zijn rechterhand, onder de meest verhevene, over en boven alle opperheerschappij, en machthebbers, en macht, en soevereiniteit, en elke naam die genoemd is, niet alleen in dit eon, maar ook in de komende, en Hij stelde alle dingen onder zijn voeten, en benoemde hem voor de Ecclesia tot oorsprong aangaande al deze dingen.”

 En wat is dit alles anders van een opnieuw bekend maken van de belofte aan Israël om “boven alle naties van de Aarde” te worden geplaatst”? En blijft die belofte staan? Blijft het doel van God met betrekking tot de verkiezing bestaan? Ja, zo is het geschreven in Romeinen 9/11: “opdat het doel van God met betrekking tot de verkiezing zal blijven bestaan”

Paulus spreekt opnieuw over deze bevoorrechte positie, zeggende, “wie zijn Israëlieten, van wie is de aanneming, en het Verbond?” (Romeinen 9/4). En Paulus spreekt tot Timotheüs, “als wij met Christus volharden, zullen we samen met hem regeren” (2 Timotheüs 2/12).

En dit is een echo van de woorden van Petrus: “een verkozen ras, een koninklijk priesterschap, een apart gezette natie, een volk bestemd tot een speciaal bezit”(1 Petrus 2/9), echoënde Exodus 19/5-6.

Johannes spreekt ook van “een koninkrijk, priesters voor God", en zegt, “u hebt hen koningen en priesters gemaakt voor onze God, en zij zullen regeren over de Aarde” (Openbaringen 1/6, 5/9-10).

Immers, de verzoening van God met het overblijfsel van Israël, van de Ecclesia van Christus (Mattheüs 16/18), “de Ecclesia van de eerstgeborene” (Hebreeën 12/23), is zeker door zijn offer.

Paulus spreekt verder over bevoorrechte positie in 1 Korinthiërs 15/48, zeggende: “en zoals de Meest Verhevene is, zo zijn ook de meest verheven mensen”. (Dit is hoe we nu zijn beeld dragen.) De “Meest Verhevene”, Jezus, is έπουράνιος (= epouranios) - en de “meest verheven man” - is ook έπουράνιος, een nominatief meervoudige mannelijke vorm. Echter, de andere versies hebben zulke vreemde dingen als “en zoals de hemelse is, zo zijn ook zij die hemels zijn”! Wat dan ook betekent dat, “hemels” zijn? Ik weet het niet. Dergelijke verandering, ten eerste, verwijderd de implicatie van de bevoorrechte positie voor het zaad van Izaäk en, ten tweede, stelt het mannen in een buitenruimte, ver weg van waar Christus zal zijn als hij terugkomt naar de Aarde. En, daardoor is de belofte aan het zaad van Izaäk geannuleerd.

Paulus’ Efezische lezers zullen op een dag hun plaats innemen onder “de meest verhevenen in Christus”, die “Ecclesia van de eerstgeborene" zijn, en Davids “Qahal”, die het “zaad van Jakob” zijn, het “zaad van Israël” (Psalm 22/23).

Het Griekse woord έπουράνιος (= epouranios) is een afgeleide van ούρανός (= ouranos), de Griekse equivalent van שמ׳ם  (= shamayim). Jezus gebruikte dit woord ούρανός (= ouranos) als een substantief (bijvoeglijk naamwoord dat als zelfstandig naamwoord fungeert) voor de Vader in de uitdrukking “de Hemelse”, dat een bijvoegsel is bij “de Vader”, dit maakt de uitdrukking volledige als “uw Vader, de Hemelse”, of “uw Vader, de Meest Verhevene” (Mattheüs 6/14, 6/26, 6/32). In Lukas 15/18 is) ούρανός (= ouranos) gezet voor God in de zinsnede “ik heb gezondigd tegen de Verhevene”. In Openbaringen 12/12 lezen we “Verheug u hierover, hemelen, en u die onder hen de tenten opslaat. Wee hen die de Aarde en de zee bewonen!” Dus hier hebben we het voor ons uitgeschreven dat “hemelen” staat voor hen die er wonen. In Kolossenzen 1/23 is ούρανός in de Keys of the Kingdom Holy Bible weergegeven als “Opperste Monarch” en als “opperste monarch” in Handelingen 2/5.

In Johannes 3/13 in andere versies spreek Jezus over zichzelf als “de Zoon van de mensen, die in de hemel is”. En, volgens deze versies, zeggend dat hij “in de hemel” was stond hij daar in Jeruzalem! Hun vertaling is dwaas. Dat zou moeten zijn ”de Zoon van de mensen, die is in de Hemelse”, of “in de Verhevene”. Dan is alle mystiek begraven in de zee, waar het hoort.

Dus, ούρανός is “de Hemelse” of “de Verhevene”.

De uitdrukking “het Koninkrijk van de Verhevene” komt 32 keer voor. Dit, nogmaals herinnert ons aan het voortdurend narratief van de verheffing van de zonen van Israël. Echter, deze uitdrukking wordt gebruikelijk vertaald als “het koninkrijk van de hemel” (Mattheüs 3/2 etc.), het plaatst in de gedachte een toekomstig mystiek koninkrijk op een onbekende plaats in de hemel waar God zich nu verbergt tot het einde van de 1000 jaar. Het woord dat de King James Bijbel en de andere versies vertalen als “hemel” is, nogmaals, ούρανός (= ouranos). Echter, wij die het woord van God kennen begrijpen dat het toekomstige leven op Aarde is. Niemand gaat naar de hemelen. Christus komt naar de Aarde. Dan zal God zelf komen naar de Aarde om in het Nieuwe Jeruzalem te zijn. In plaats van “het koninkrijk van de hemelen”, heeft de the Kingdom Holy Bible "het Koninkrijk van de Verhevene”, want dit is exact waar het komende koninkrijk over gaat: de heerschappij van de twaalf stammen van Israël met God en de Heer Jezus.

έπουράνιος (= epouranios) komt ook voor in Efeziërs 3/10 en 6/12 betreffende de vijanden van God, eens en voor altijd aantonend wat een hopeloze vertaling “hemelse plaatsen” ooit was!

zodat nu de menigvuldige wijsheid van God bekend zou kunnen worden gemaakt, door de Ecclesia, aan de voornaamste heersers en de machthebbers onder de meest vooraanstaande.” ~ Efeziërs 3/10

bloed en vlees, maar tegen de voornaamste heersers, tegen de machthebbers, tegende wereld heersers van dit tijdperk van duisternis, tegen de kwade geesten van het kwaad onder de meest vooraanstaande.” ~Efeziërs 6/12

Deze gebeurtenissen rond έπουράνιος (= epouranios) gaan over “de meest vooraanstaande” onder de aardse koningen en heersers. De uitdrukking “onder de meest vooraanstaande” is exact dezelfde uitdrukking die ik vertaalde als “onder de meest verhevene” in Efeziërs 1/3, 2/6. (Ik gebruikte de tweede keer “vooraanstaande” als onderscheid van de eerste keer “verhevene"). Bedenkend dat epouranios werkelijk betekend “hemelse plaats”- de aardse koningen en heersers in hemelse plaatsen.

  1. ’Ιουδαϊος (= Ioudaios), Strong's Concordantie nummer g2453; verkeerd vertaalt als "Jood” zoals bijvoorbeeld, Mattheüs 3/2

’Ιουδαϊος (= Ioudaios) komt 195 keer voor. Het komt voor het eerst voor in Mattheus 2/2, Jezus beschrijvend als de “Koning van de Judaïeten”.

Dit woord is meestal vertaald als “Jood” en “Joden. “Jood” is bargoens voor een lid van de stam van Juda, een Judeeër. Thayer’s Grieks-Engels lexicon geeft dit als het bijvoeglijk naamwoord “Joods”.

Jezus, “Koning der Judaïeten”, werd geboren in Juda, het land van het huis van Juda. Mattheüs 2/6 spreekt over “Bethlehem van Juda”, Micha citerend. Jezus is “de leeuw van de stam Juda” (Openbaring 5/5). Jezus zei: “Het heil komt uit de Judaïeten” (Johannes 4/22).

Judea, van de Judaïeten, was een aparte natie geworden in het noorden van Israël en ze waren zelfs met elkaar in oorlog geweest en waren in vijandschap met elkaar. (Efeziërs 2:14-16). Dat is waarom het Nieuwe Verbond, verkondigd door de profeet Jeremia zou zijn “met het huis van Israël en met het huis van Juda” (Jeremia 31:31, Hebreeën 8:8). Dit is waarom de profeet Hosea sprak over de twee huizen: “Dan zullen de zonen van Juda en de zonen van Israël worden bijeengebracht, en zij zullen één hoofd over zich aanstellen” (Hosea 1/11, Johannes 10/16, 2 Thessalonicenzen 2/1).

Degene waarvan werd gezegd dat zij wachtten op de verlossing van Israël, Simeon (Lucas 2/25), Zacharias (Lucas 1/5) en Jozef van Arimathea (Lucas 23/50), waren Judaïeten. De apostelen waren Judaïeten. Anna (als een uitzondering van de stam van Asser, van de weinige teruggekeerden uit gevangenschap) "sprak over Hem tot allen die in Jeruzalem op verlossing wachtten" (Lucas 2/36-38). Het woord Judeeër omvatte de twee stammen die uit de ballingschap waren teruggekeerd: Juda en Benjamin. We weten dit omdat Paulus zei dat hij van de stam van Benjamin was en ook zei: "Ik ben in feite een Judeeër" (Handelingen 22/3). Hij zei: "Wij zijn van nature Judaïeten ", wijzend op geboorte (Galaten 2/15). Hij beschrijft zichzelf als zijnde een Israëliet, als een “uit het volk Israël; uit de stam Benjamin; een Hebreeër uit de Hebreeën” (Filippenzen 3/5).

Judea, het land van de Judaïeten, werd in die tijd ook bewoond door de Kanaänieten en de Edomieten. De Herodiaanse dynastie waren Edomieten. Zij profiteerden van de ballingschap van Juda en trokken naar Judea. Ezau, die ook Edom is (Genesis 25/30, 36/1), trouwde met Kanaänitische vrouwen, tegen de instructies van zijn vader in. Jezus streed tegen vijandige slangen en wolven, toen hij zei dat de Schriftgeleerden en Farizeeën de zetel van Mozes hadden gestolen (Mattheüs 23/1), en dat zij die de profeten vervolgden schuldig waren aan ‘al het rechtvaardige bloed dat op aarde is vergoten, van het bloed van de rechtvaardige Abel tot het bloed van Zacharia’ (Mattheüs 23/34-36), hen daarom beschouwend als de Kanaänieten, die teruggaat tot de moord op Abel. Jezus waarschuwde zijn ‘schapen’ (het huis van Jakob) voor de ‘wolven’ die de schapen zouden overleveren ‘in de handen van het Sanhedrin, en zij zullen jullie geselen in de synagogen’ (Mattheüs 10/16-17). Zij brachten hun eigen religie mee, ‘de traditie van de oudsten’ (Mattheüs 15:2). Paulus sprak over zijn “vroegere manier van leven in de religie van de Judaïeten, hoe ik met buitengewone ijver de Ecclesia van God vervolgde … en ik vooruitgang boekte in de religie van de Judaïeten’ (Galaten 1/13-14). Hij sprak over ‘schijnbroeders” (Galaten 2/4), waarschuwt voor judaïsering (Galaten 2/14). Jezus waarschuwt ook tegen “zij die beweren Judaïeten te zijn, en het niet zijn, maar een synagoge van de vijand zijn” en “zij liegen” en zijn aanklagers en vervolgers (Openbaring 2/9-10, 3/9). Dezen zijn duidelijk van een ander lichaam dan “de schapen”. Jezus sprak over hen die “niet geloven omdat jullie niet mijn schapen zijn” (Johannes 10/26). Als zij "niet mijn schapen" waren, dan is het niet dat ze niet zijn schapen waren omdat ze niet geloofden, maar dat ze in de eerste plaats niet eens zijn schapen waren en dat zij daarom niet geloofden, omdat ze niet tot het huis van Jakob behoren, נ׳ת ׳ץקנ (= bayith Yakob).

Toch stonden al deze mensen bekend als Judaïeten, of Judaïeten, of "Joden".

Paulus vond de mensen van Juda zo verhard dat hij zich van hen afkeerde en zich tot een ander groep mensen wendde, de verstrooiden van het huis van Israël.

Het woord “Jood" wordt tegenwoordig gebruikt om iedereen uit Israël aan te duiden. Mensen spreekt over "de Joodse natie". Maar zo staat het niet in het woord van God. Mensen zeggen dingen als "toen de Joden in Egypte waren", maar zo staat het niet in het woord van God. Er staat "zonen van Israël" of "kinderen van Israël". Het Nieuwe Verbond maakt onderscheid tussen het huis van Israël en het huis van Juda (Jeremia 31:1, Hosea 1:11, Hebreeën). 8\8).

Het Griekse woord ‘Iουδαϊος (= Ioudaios)’ wordt door Paulus 24 keer gebruikt:

  1. Romeinen 1/16: beide, eerst tot de Judeeër, dan tot de Griek;
  2. Romeinen 2/9: beide, eerst van de Judeeër, en van de Griek;
  3. Romeinen 2/10: beide, eerst voor de Judeeër, en dan voor de Griek;
  4. Romeinen 2/17: u die een Judeeër wordt genoemd en op de wet vertrouwt;
  5. Romeinen 2/28: hij is geen Judeeër die er uiterlijk zo uitziet;
  6. Romeinen 2/29: hij is een Judeeër die het innerlijk is;
  7. Romeinen 3/1: Wat dan is het voordeel van de Judeeër;
  8. Romeinen 3/9: we hebben eerder zowel Judaïeten als Grieken veroordeeld;
  9. Romeinen 3/29: Of is Hij alleen de God van de Judaïeten en niet ook van de naties?
  10. Romeinen 9/24: ook wij, die Hij geroepen heeft, niet alleen uit het midden van de Judaïeten;
  11. Romeinen 10/12: er is geen verschil tussen Judeeër en Griek;
  12. 1 Korintiërs 1/22: de Judaïeten vragen om een teken en de Grieken zoeken naar wijsheid;
  13. 1 Korintiërs 1:23: voor Judaïeten een struikelblok en voor Grieken dwaasheid;
  14. 1 Korintiërs 1/24: maar aan degenen die daarvoor werden aangewezen, beide, Joden en Grieken;
  15. 1 Korintiërs 9/20: voor de Judaïeten werd Ik als een Judeeër, opdat ik de Joden voor mij zou winnen;
  16. 1 Korintiërs 10/32: zonder aanstoot te geven, noch aan de Judaïeten, noch aan de Grieken;
  17. 1 Korintiërs 12/13: Wij zijn allen gedoopt tot één lichaam, zowel Judaïeten als Grieken;
  18. 2 Korintiërs 11/24: Ik heb veertig slagen min één ontvangen van de Judaïeten;
  19. Galaten 2/13: “de rest van de Judaïeten hebben zich ook hypocriet gedragen;
  20. Galaten 2/14: Als u, zijnde een Judeeër, leeft volgens de gewoonte van de naties en niet zoals de Judaïeten;
  21. Galaten 2/15: Wij zijn van nature Judaïeten;
  22. Galaten 3/28: er is noch Judeeër noch Griek;
  23. Kolossenzen 3/11: er is noch Griek noch Judeeër;
  24. 1 Thessalonicenzen 2/14: ook u hebt soortgelijke dingen geleden van uw eigen landgenoten, net zoals ook zij van de Judaïeten.

In de Engelse versies is ‘Iουδαϊος over het algemeen vertaald als “Jew”. Het is dichterbij en correcter om "Judeeër" te gebruiken om het huis van Juda solide aan te duiden. ‘Iουδαϊος (= Ioudaios) representeren zowel Juda als Benjamin (en de Levieten). Het is geen synecdoche [2]al de 12 stammen van Israël. Er zijn andere stammen, en om de andere stammen aan te duiden zullen we zien dat Paulus twee andere woorden gebruikt, het woord έθνος (= ethnos), en ’’Ελλην (= Hellenen). Helaas, vanwege twee fouten, wordt het woord “Jood” in de gewijzigde versies gezien als een aanduiding voor al de twaalf stammen van Israël. Ten eerste, vanwege hoe het nu wordt gebruikt; ten tweede, vanwege de neppe uitdrukking “Jood en Heiden” in de brieven van Paulus in de gewijzigde versies. Er is geen uitdrukking “Jood en Heiden” in het woord van God. Het komt er niet in voor. Het bedrog, de valse vertaling “Jood en Heiden” beroofd al de twaalf stammen van de beloften van God. Het ontkent Zijn trouw, voortdurend uitgedrukt door de profeten en de apostelen en door Jezus. Het is onterecht om alle twaalf stammen te beschouwen als “Joden”, het zijn ’Iουδαϊος. (= Ioudaios). Jezus en zijn discipelen waren in Judea, en Jezus zei “De redding komt uit de Judaïeten.” (Johannes 4/22). Dit sluit aan bij wat Paulus zei, “aan de Judaïeten eerst” (Romeinen 1/16, 2/9, 2/10). Dan waren er de noordelijke stammen van het huis van Israël. Er was een vestiging van Judaïeten (Juda en Benjamin) in Rome. Paul schreef hun als “geroepen om een apart gezet volk te zijn” (Romeinen 1/7). De uitdrukking “Verbondsbekers” (Romeinen 1/31) maakt het onmogelijk te denken dat die brief aan niet-Israëlieten was gericht. (In Romeinen adresseert Paulus eerst aan de Judaïeten, dan aan de naties die de verstrooiing van Israël zijn.), Paulus zei “je wordt een Judeeër genoemd” (Romeinen 2/17). Hij spreekt tot hen die de rollen, de wet en de besnijdenis hebben. (Romeinen 2/17-19). Hij vraagt retorisch, “Wat dan is het voordeel van de Judeeër? Of wat is het voordeel van de besnijdenis? Hij spreekt tot “het huis van Juda”. En hij antwoord “Veel in elk opzicht, vooral omdat hun de woorden van God waren toevertrouwd” (Romeinen 3/1-2). Zij in het land van Juda hoorden eerst.

De andere stammen, die waren verspreid, werden beschouwd als buitenlanders, naties, de verspreiding, reizigers, ballingen, vreemdelingen, onbesnedene. Daarom hadden de Judaïeten volgens Paulus “vanuit elk standpunt … het voordeel”.” De verstrooiden evenwel, waren “zonder Christus, geplaatst buiten het burgerschap van Israël. Vreemdelingen van het Verbond van de belofte” (Efeziërs 2/12). Vanwege de vijandschap tussen Juda en Israël, die twee aparte naties waren geworden, was er wat Paulus beschrijft als “de scheidingswand in het midden (Efeziërs 2/14). De verspreidde noordelijke stammen van Israël stonden ook bekend als "de onbesnedenen" en "de verspreiden"” (Johannes 7/35, 1 Petrus 1/1), die “in het verleden de naties van het vlees” waren, en zij waren “bekend als onbesnedenen bij hen die bekend staan als besnedenen in het vlees, door handen uitgevoerd” (Efeziërs 2/11). Juda beschouwd zichzelf als superieur. Maar nu waren die "vreemdelingen" in Efeze, door Christus, “niet langer vreemdelingen en reizigers, maar medeburgers van de apart gezette mensen, en leden van het huishouden van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en de profeten, Jezus Christus zelf zijnde de funderende hoeksteen” (Efeziërs 2/19-20) – volledig Israëlische taal. Zij waren van de ANDERE STAMMEN DIE GEEN “JUDAÏETEN” WERDEN GENOEMD.

Samenvattend, het is niet zozeer dat de vertaling van ‘Iουδαϊος ‘Ioudaïos’ als “Jood” op zich onjuist is, het is bargoens voor een lid van de stam van Juda, een Judeeër, maar het is de standaardopvatting over "Jood" als vertegenwoordiger van alle twaalf stammen die onjuist is. “Jood” is is geen synecdoche voor alle twaalf stammen Voor het begrip, kan het veel beter vertaald worden als “Judeeër”. Dat is ook dicht bij een transliteratie, omdat het de "j" vertegenwoordigt en drie lettergrepen bevat, wat met het bargoense "Jood" niet lukt.

  1. en 9. έθνος (= ethnos), Strong’s Concordantie nummer g1484; fout vertaald als “niet-Israëlieten” in, bijvoorbeeld, Romeinen 9/24: en גוי (= goy), Strong’s Concordantie nummer h1471; fout vertaald als “niet-Israëlieten”

De King James Bijbel vertaalt גוי (= goy) 374 keer correct en eerlijk als "natie" en 11 keer als “volk” Echter, 30 keer is het vertaald als “niet-Israëlieten”, en 143 keer als “heiden”. Dat waren niet-deugende oplichtingen. Het woord “naties” is vrij van vooroordeel en is geen waardeoordeel, zoals “volk”. Maar de woorden “niet-Israëlieten” en “heiden” zijn beladen met een vooroordeel en waardeoordeel. [3] Hoe wisten de vertalers dat in bepaalde passages in, zeg, Jesaja met גוי (= goy) de profeet niet de verstrooide stammen van het huis van Israël bedoelde? Toen de apostel Paulus de profeet Jesaja citeerde, zeggende, “Daar zal de wortel van Jesse opkomen en één zal voortkomen vanuit de heerschappij van de naties, en de naties zullen in hem hun vertrouwen stellen” (Romeinen 15/12), De hele inhoud van zijn brief is geconcentreerd op Israël en Juda. Paulus citeerde dit vanuit Jesaja 11/10. De King James Bijbel vertalers schreven in deze passage “daarna zullen de niet-Israëlieten zoeken” (vreemde grammatica). Dus volgens de lezing van de King James, wordt gesteld dat Jesaja de niet-Israëlieten bedoelde.

Jesaja bedoelt Israëlieten. Het is alleen passend om het vooroordeel te verwijderen en het woord te vertalen als “naties”, dan zit je niet fout. Evenzo citeerde Jezus Jesaja 42/1-4, concluderend, “de naties zullen hun hoop vestigen op zijn naam” (Mattheus 12/21). In beide passages van de King James Bijbel staat “niet-Israëlieten”. Maar Jezus zei dat hij was gezonden voor “de verloren schapen van het huis van Israël” (Mattheus 15/24). Men zou kunnen beargumenteren (door iemand die er niet tegen kan dat de King James Bijbel bekritiseerd wordt) dat de verspreide Israëlieten, nadat ze “niet Mijn volk” (Hosea 1/10) waren geworden, niet langer onder het Verbond, bekend waren als “naties” dus het maakt geen verschil. Maar het maakt een verschil: ze waren “Niet Mijn volk” geweest, maar de God van Abraham, Isaac en Jacob zou met hen een nieuw en beter verbond maken. Zij waren Israelieten, niet “niet-Israëlieten”. Zij waren niet langer “niet Mijn volk”, maar waren “Zonen van de levende God” (Romeinen 9\25-26, 1 Petrus 2/10). “Niet-Israëlieten” is gewoon fout. Van het Griekse woord έθνος (= ethnos) komt ons woord “etnisch” en “etniciteit”, leden van een bepaald type ras. Dit behoort terug te komen in de vertaling en het begrip van sommige gevallen dat het woord έθνος (= ethnos) voorkomt in de Nieuw Testamentische geschriften – soms verwijst het naar niet-Israëlitische rassen, en soms verwijst het naar de verstrooiden van het huis van Israël. De eerste keer dat έθνος (= ethnos) voorkomt is in Mattheus 4/15: “Het land van Zebulon, en het land van Naftali, weg langs de zee, over de Jordaan, het Galilea van de naties ...” (geciteerd vanuit Jesaja 9/1 2). Het woord “naties” dat is van έθνος. Zebulon en Naftali zijn van de twaalf stammen van Israël (Openbaringen 7/6-8), toch worden ze beschreven als έθνος, “naties ”. Deze eerste keer dat het voorkomt laat ons zien dat de verbannen noordelijke stammen, dat zijn van het huis van Israël, soms werd verwezen als “de naties”. Maar de King James Bijbel heeft “niet-Israëlieten”, implicerend niet-Israëlieten, maar dat is niet correct omdat Zebulon en Naftali Israëlitische stammen zijn. “Niet-Israëlieten” is een interpretatie, geen vertaling. Als een interpretatie is het schadelijk voor de interne harmonie van de profeten en de apostelen. “Niet-Israëlieten” is een erg slechte vertaling en gewoon fout. In Romeinen 9/24 spreekt Paulus over “wijzelf ook, die Hij riep, niet alleen van onder de Judaïeten, maar ook van onder de naties”. Hier staan “de naties” in tegenstelling tot de stam van de Judaïeten. Daaruit kunnen we makkelijk afleiden dat “de naties” de andere Israëlitisch stammen zijn, de verstrooiden van het huis van Israël. Want Paulus spreekt over hen “die Hij riep”, en geroepen mensen zijn apart gezette mensen, de Zonen van Israël. Paulus dan citeerde de profeet Hosea om uit te leggen dat deze “naties” in 9/24 zij zijn die “niet Mijn volk” waren geworden maar nu “zonen van de levende God” worden genoemd (Romeinen 9\25-26). En Paulus vervolgt, “Jesaja schreeuwt uit over Israël” (Romeinen 9/27). Dus “de naties” in 9\24 gaat helemaal over Israël. Petrus, richt zich tot de verstrooiing (1 Petrus 1/1), over spreekt ook over hen als zijnde “niet een volk, maar nu zijn zij het volk van God” (1 Petrus 2/10, citerend Hosea 1/9-10, 2/23). Dit waren Israëlieten. In Romeinen 11/25-27, zegt Paulus: “... Israël is gedeeltelijk blind geworden tot de volheid van de naties is ingegaan, en dan zal heel Israël worden gered, zoals staat geschreven: ‘De Verlosser zal uit Sion komen, en hij zal wegnemen de goddeloosheid van Jacob. En dit zal zijn een Verbond tussen Mij en hen’…” Indien de volheid van “de naties” (έθνος) betekend dat als gevolg daarvan “heel Israël gered zal worden”, en de goddeloosheid “van Jakob zal verdwijnen”, en dit Gods “Verbond”is, dan zijn deze “naties” Israëlieten.

Inderdaad, Paulus adresseerde aan “de naties”:  "Want ik zeg u, tot de naties – aangezien ik inderdaad een apostel van de naties ben ... als ik misschien mijn vlees tot jaloezie zou kunnen provoceren, en ik sommigen onder hen zou kunnen redden" (Romeinen 11/13-14). Het huis Juda zou jaloers zijn op het huis Israël dat de boodschap van verlossing ontvangt. Paulus verwijst hiernaar in 1 Thessalonicenzen 2/16, waar de Judaïeten "ons verhinderden tot de naties te spreken opdat zij gered zouden worden". Door "mijn vlees" te zeggen in Romeinen 11/14, verwijst Paulus naar Benjamin en Juda (Paulus kwam uit Benjamin: Romeinen 11/1), die gezamenlijk bekend staan als de Judaïeten, degenen die hij specifiek noemde in zijn adressering in 2/17 – 3/9 en verderop. Het hele hoofdstuk 11 van Romeinen bespreekt het uiteenvallen en de verzoening van Juda en Israël, van ouds was er vijandschap naar elkaar, en nog, in Paulus' tijd bleef er vijandigheid bestaan, en met de bittere trots en jaloezie van de Judaïeten.

Daarom betekent "heel Israël" (Romeinen 11/26) alle twaalf de stammen, en "de naties", het έθνος in Romeinen 11/25, betekent de verspreiding van het huis Israël. Dit zijn de verspreiden waarvan Paulus zegt dat "God hen weer kan inenten" (Romeinen 11/23). Dat kan ook worden vertaald met "ent ze weer terug". Commentatoren negeren meestal dat bijwoord "weer" aan het einde van die zin. Het laat zien dat Paulus spreekt over Israëlieten die ooit onder het Verbond stonden.

En te midden van dit alles zegt Paulus: "het zoete vermaak van mijn eigen hart en mijn gebed tot God voor Israël is gericht op verlossing" (Romeinen 10/1). Hij spreekt over het huis Israël.

In feite verwijst elke vermelding van έθνος (= ethnos) in Romeinen naar het huis Israël. Zoals elke voorkomen hiervan in alle brieven van Paulus en Petrus en Johannes een verwijzing zijn naar de verstrooiden.

We hebben vastgesteld dat Paulus adresseerde aan de apart gezette mensen in Efeziërs, en hen stelden als voortreffelijk stelde, hoog boven alle naties op de Aarde, in zijn gezegde dat zij gezeten zijn "onder de hoogst verhevene in Christus Jezus" (Efeziërs 1/3, 1/20, 2/6). Dan zegt Paulus tegen hen, "denk eraan dat jullie, in het verleden vleselijke naties waren die bekendstonden als onbesnedenen" (Efeziërs 2/11). Hier zijn "de naties" die έθνος (= etnos) van de verspreide stammen van Israël, zoals in Paulus' brief aan de Romeinen. Zij waren, vanwege de goddelijke scheiding die door Jeremia en Hosea werd uitgesproken, "vervreemd van het staatsburgerschap van Israël, en vreemdelingen van de Verbonden van belofte" (Efeziërs 2/12). Zij waren degenen die eens "ver weg" waren maar nu "dichtbij gebracht" (Efeziërs 2/13). Door Christus werd de vijandigheid tussen Juda en Israël afgehandeld, want Christus had "de middelste muur van de scheidingswand afgebroken, nadat hij door zijn vlees de vijandschap had ontbonden ... zodat hij in zichzelf de twee tot één nieuwe mens zou kunnen transformeren, vrede makend, en zodat hij beiden met God in één lichaam kon verzoenen ... vrede ... aan hen ver weg en aan hen nabij" (Efeziërs 2/14-17;), dat is, voor Israël en Juda. Nu hebben "beiden" – Israël en Juda – "toegang tot de Vader", zodat de Efeziërs "niet langer vreemdelingen en gasten, maar medeburgers van het apart gezette volk, en leden van het huishouden van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en de profeten, waar Jezus Christus zelf de funderende hoeksteen is, in wie elk gebouw harmonieus is samen gevoegd tot een toegewijd heiligdom in de Heer, in wie u ook wordt opgebouwd tot een woonplaats van God” (Efeziërs 2/18-21). Dergelijke beeldspraak over gebouwen verwijst naar “de stad van de levende God, het hemels Jeruzalem” (Hebreeën 12/22), want, hij zegt, “Hij bereid een stad voor hen” (Hebreeën 11/16). Alles Israëlitische taal. Alles over de stammen van de Zonen van Israël. De “naties” in Efeziërs 2/11 vertegenwoordigen het verstrooide huis van Israël.

De adressering in Efeziërs “aan hen ver weg en aan hen die dichtbij zijn” werd gesproken door Petrus tot de Israëlieten (Handelingen 2/39). Het was gesproken door Jesaja tot de Israëlieten (Jesaja 59/17). Het was gesproken tot Daniël tot de Israëlieten (Daniel 9/7). Het betreft de huizen van Juda en Israël.

De verstrooide stammen van het huis Israël stonden toen bekend als "onbesnedenen". Peter noemt hen "vreemdelingen en ballingen" (1 Petrus 2/11). Ze stonden ook bekend als “de naties”, έθνος (= ethnos) (Efeziërs 2/11). Handelingen 10/36 richt het Woord van God tot “de Zonen van Israël”, en Lukas zegt “de gave van de goddelijke geest werd ook over de naties uitgestort” (Handelingen 10/45), dus deze “naties” zijn ook “Zonen van Israël”. Zie ook Handelingen 11/1, 11/18. In Antiochië gingen de apostelen “in de synagoge op de dag van de Sabbatten” en, na de lezing van de wet en de profeten, sprak Paulus hen toe, “Mannen, Israëlieten, en zij die God eerbiedigen, luister. De God van dit volk heeft onze vaders gekozen” (Handelingen 13/14-17), en daarna “Mannen, broeders, zonen van het geslacht [4] van Abraham” (Handelingen 13/26). Daarna, “toen de Judaïeten de synagoge hadden verlaten, smeekten de naties dat de verklaringen tot hen gesproken mochten worden op de tussenliggende Sabbat” (Handelingen 13/42). De naties dan, waren broeders, Israëlieten, zonen van het geslacht en zaad van Abraham. Op de volgende Sabbat waren de Judaïeten “ziende de menigte, vervult met jaloezie” en Paulus en Barnabas zeiden “We wenden ons tot de naties. Want de Heer heeft ons dit geboden: ‘Ik heb je aangesteld tot een licht voor de naties’ “(Handelingen 13/44-47). Paulus’ werk was daarom, als een licht voor de naties, was voor de verstrooide stammen van het huis Israël. Men kan veronderstellen dat dit zich in het komende eon over de hele wereld zal uitbreiden (Mattheus 28/19-20).

In Handelingen 18/4 zegt Lukas dat Paulus “redeneerde in de synagoge, sabbat na sabbat, en hij overtuigde zowel Judaïeten als Grieken”, deze “Grieken” dan, zijnde Israelieten, in de synagogen op de Sabbatten, de naties. Weer in Handelingen 18/6, zegt Paulus, “Vanaf nu, zal ik tot de naties gaan.” Dit was nadat de Judaïeten zich tegen hem keerden. In Handelingen 28/28, hebbende net Jesaja 6\9-10 geciteerd, zegt Paulus, “Laat het dan bij u bekend zijn, dat de verlossende boodschap van God is toegekend aan de naties, en ze zullen horen.” Deze naties kennen we nu als de verspreiding, de verstrooide stammen van het huis Israël. Niet “the Gentiles”, wat niet-Israëlieten aanduidt; dit is hoe commentatoren het abusievelijk zien. Inderdaad, zoals Paulus zegt, “Of is Hij alleen God van de Judaïeten, en ook niet van de naties? Ja, ook van de naties ... Maken we dan dat de wet geen effect heeft door het geloof? Dat zal niet zo zijn! Eerder bevestigen we de wet” (Romeinen 3/29-31). Het vaststellen van de wet voor de naties! Daarom, de verspreiden Israëlieten die een tijd “niet Mijn volk” waren, maar het gelovige overblijfsel nu zal verzoend zijn door Christus en “Mijn volk” zijn. Peter spreekt hierover, zeggende, “u ... die in een tijd geen volk was, maar nu het volk van God is” (1 Petrus 2/9-10, citerend Hosea 1/9-10, 2/23).

In Romeinen 11/11, zegt Paulus, “Door hun overtreding is de verlossing tot de naties gekomen om hen op te wekken tot jaloezie. Als hun overtreding nu is de weelde van de wereld is, en hun verval de weelde van de naties, hoeveel meer is hun volheid” – de naties hier zijn de verstrooiden. Die uitdrukking " tot jaloezie " beschrijft hoe de verzoening van het huis van Israël de jaloezie van Juda opwekte, het huis van Juda heeft Christus verworpen en vermoordde de prins van de glorie. Paulus noemt zichzelf “een gezant van Christus Jezus voor de naties”, uitdragend als een priester het evangelie van God, opdat het offer van de naties aanvaard zou worden, zijnde apart gezet in de geest van de afzonderlijkheid” (Romeinen 15/16). Dit alles “Christus heeft gehandeld door mijzelf tot gehoorzaamheid van de naties, door woord en daad, en de kracht van tekenen en wonderen” (Romeinen 15/17-19). Alles over de Israëlieten. In 1 Korintiërs 12/2 zegt Paulus, “U weet nog hoe het was toen u de naties vormden.” Deze Ecclesia in Korinthe, dan, waren “de naties”, maar nu niet meer. Daarom, “naties” zijn was geen permanente status op de manier waarop etniciteit dat is. De King James Bijbels’ “niet-JudaÏtisch”, in de betekenis van niet-Israëlitisch, is ongepast. De Korintiërs waren geen niet-Israëlieten. De Korinthische Ecclesia kwam bijeen in een synagoge, als Lucas zei dat Paulus “redeneerde in de synagoge van Sabbat tot Sabbat” (Handelingen 18/4). Evenzo, zei Paulus tot de Efeziërs “u, in het verleden de naties naar het vlees” (Efeziërs 2/11). έθνος (= ethnos), dan, was een spiritueel toestand, vastgesteld door de profeet Hosea bedoelend het verworpen volk van God, maar nu, door Christus, verzoend.

 In de King James Bijbel en de andere aangepaste versies vertaalden ze έθνος verschillend zoals, “heiden”, “naties”, “volk” (Handelingen 8/9, Romeinen 10/19) en “niet-Israëlieten”. Het woord “heiden” is slechts de mening van vertalers, geen vertaling van het Griekse woord, en wordt genegeerd. Zelfs als het waar is, het is een interpretatie. En “niet-Israëlieten” is gewoon fout.

Het woord “niet-Israëlieten” komt van het Latijnse woord ‘gentilis’ wat is van ‘gens’ betekenend “een clan, een aantal families verbonden door gemeenschappelijke afkomst, en het gebruik van dezelfde niet-Judese naam” (Cassell’s Latin Dictionary, 1990 editie). In het algemeen Engels en inderdaad door de meeste Bijbellezers, “Gentiles (= niet-Israëlieten)” wordt beschouwd als een benaming voor niet-Israëlieten. (Of, zoals ze waarschijnlijk onwetend en onjuist zouden zeggen., “niet-Joods”). Maar we hebben gezien in Mattheus 4/15, Romeinen 11/13, 11/25 en Efeziërs 2/11 dat de έθνος – “nations” – zijn in deze gevallen allesbehalve niet-Israëlitisch; ze vertegenwoordigen de verspreiden, de verstrooide stammen van het huis Israël.

In Romeinen 1/13 zegt Paulus “opdat ik ook wat vrucht onder u mag hebben, op dezelfde manier als onder de overige naties". Die "naties" vertegenwoordigen de verspreiding van de stammen van Israël.

Daarom, elk voorkomen van έθνος moet innerlijk worden onderscheiden – niet door traditie, noch door het woord "niet- Judaïeten ". Het woord " niet- Judaïeten ", omdat het begrepen wordt als niet-Israëlitisch, is een fout en veroorzaakt vernietiging. Het maakt de beloften en trouw van God aan Zijn volk Israël tot geen effect – maar over die destructieve opvatting zegt Paulus: "Het is niet alsof het orakel van God geen effect heeft gehad” (Romeinen 9/6, Galaten 3/17). Het woord "niet-Israëlieten" creëert de illusie van een vals evangelie dat impliceert dat Paulus naar de niet-Israëlieten is gegaan en dat daarom, God de verspreiding van het huis Israël is vergeten.

  1. ’Ελλην (= Hellenen), Strong’s Concordantie nummer g1672; Verkeerd vertaald als “niet-Israëlitisch” in, bijvoorbeeld, Johannes 7/35

’’Ελλην (= Hellenen) komt 27 keer voor. Het betekent “Grieks”. Hieruit is het Engelse bijvoeglijk naamwoord ‘Hellenistic’ afgeleid, wat ‘Grieks’ betekent, ‘van Griekse aard’. Het is een eigen naamwoord, met bovendien een Engels erfenis, er is nauwelijks een woord in het geheel van Gods woord dat makkelijker te vertalen is. In al het werk van een vertaler zullen weinig woorden hem minder moeite bezorgen dan het vertalen van dit woord. Echter dat is niet het verhaal in de aangepaste versies. Hier volgen al de keren dat het woord ’’Ελλην (= Hellenen) voorkomt, met opmerkingen. De eerste keer dat het woord voorkomt is het meest leerzaam en biedt een sleutel om elke keer dat het woord voorkomt de betekenis te begrijpen.

Johannes 7/35: “de Judaïeten spraken onderling, ‘Waar gaat hij heen dat we hem niet zullen vinden? Gaat hij naar de verspreiding van de Grieken en daar de Grieken onderwijzen?’ “

Opmerking: “de verspreiding van de Grieken”. Bij de eerste keer dat het woord voorkomt zien we wie deze Grieken waren: de verspreiding van het huis van Israël. De King James Bijbel heeft “de verspreiden onder de niet-Israëlieten, en de niet-Israëlieten onderwijzen?”, toegevoegd “onder”, en twee keer “Grieken” veranderd in naar de “niet-Israëlieten”. Het is illegaal om de Schriften van God te wijzigen. De vijanden van Jezus mopperden en vroegen zich af of hij naar de verspreiden was gegaan om onder de verspreiden te verkondigen. De "verspreiding van de Grieken" waren zeker Israëlieten. Deze uitdrukking “de verspreiding van de Grieken” is de sleutel tot het begrijpen van Paulus' werk onder de Grieken. Maar als eigennamen zoals ’’Ελλην (= Hellenen) het makkelijkst zijn om te vertalen, waren de King James Bijbelvertalers onbekwaam om het hier te vertalen, incompetent, of, misschien, waren ze onwillig en niet in staat om het woord 'Grieken' op te schrijven. Hoe dan ook, zij veranderde het in “niet-Israëlieten”, vernietigend de basis van het begrip “de verspreiding van de Grieken”.

Johannes 12/20: “En er waren sommige Grieken onder hen die opgingen om te aanbidden tijdens het feest.”

Opmerking: Dit feest was het Pesach (Johannes 12/1). Wie waren deze Grieken die kwamen aanbidden, anders dan “de verspreiding van de Grieken”? Israëlieten.

Handelingen 14/1: “En in Ikonium kwam het in hen op om samen te komen in de synagoge van de Judaïeten, en op zo’n manier te spreken opdat een groot aantal Judaïeten en Grieken zouden geloven.” Opmerking: Wie waren deze Grieken die samenkwamen in een synagoge met leden van de stam van Juda anders dan de verspreiding van de Israelieten”, mede Israëlieten? Dit alles is verstoord door de valse aanname dat “Joden” – in plaats van “Judaïeten” – een synecdoche [5] is voor alle Israëlieten, in plaats van tot de stam Juda te behoren. Handelingen 16/1-3 1 “ Paulus arriveerde in Derbe en Lystra, en er was een zekere discipel, met de naam Timotheüs, zoon van een zekere Judaïtische vrouw, een gelovige, en van een Griekse vader, 2 die een goede reputatie had onder de broeders ... 3 Paul wilde dat hij met hem meeging, en hij nam hem mee en besneed hem vanwege de Judaïeten die in die plaats waren, want zij allen wisten dat zijn vader een Griek was.”

Opmerking: De leraren van het woord van de traditie willen onderscheid maken tussen de Judaïtische moeder en de Griekse vader als zijnde “Joods” (in hun gedachten ten onrechte als elke Israëliet) en “niet Israëlitisch”, maar dit is fout. Het onderscheid tussen Judaïtisch en Grieks, in de al genoemde passages, is een onderscheid tussen Judaïeten en “de verstrooiing van de Grieken”. Timotheüs' moeder was van de stam Juda en zijn vader was van de verspreiding van het huis van Israël. Hoe weten we dat Timotheüs' Griekse vader een Israëliet was?

Ten eerste, zijn vader was “van goede reputatie onder de broeders”, dus hij was een "broeder" Israëls.

Ten tweede, hij was besneden, dus hij was een broeder-Israëliet.

Ten derde, de verwijzingen naar de "Grieken"” in Handelingen betreft synagogen, de wet, de Sabbat, de rollen [6] en de besnijdenis. Ze waren Israëlieten.

Ten vierde, Deuteronomium 7/3-6 verbiedt de Zonen van Israël om buiten hun ras te trouwen. Elk kind dat is voortgebracht uit een illegaal gemengd huwelijk (rassenvermenging) werd een mamzer [7] genoemd, (Deuteronomium 23/2). Een mamzer, “van een niet wettelijke geboorte” – the King James Bijbel heeft “bastaard” (och heden!) – was het niet toegestaan om de samenkomst van Yahweh binnen te gaan, nog zijn nakomelingen, gedurende 10 generaties. Ik denk niet dat Timotheüs een mamzer was! Als Timotheüs een mamzer was, waarom werd hij toegelaten tot de vergadering en had hij een goede reputatie? En waarom werd hem toegestaan te worden besneden? Waarom was hij eigenlijk besneden? De profeet Ezechiël berispte Israël omdat werd toegestaan dat buitenlanders het Heiligdom binnengingen: “Huis van Israël, genoeg van al uw gruweldaden, dat u zonen van buitenlanders hebt ingebracht, onbesneden van hart, en onbesneden van vlees, om in Mijn Heiligdom te zijn, het te ontheiligen, Mijn Huis ... Adonai Yahweh zegt dit: ‘Geen buitenlander, onbesneden van hart, noch onbesneden van vlees, zal toegang hebben tot Mijn Heiligdom, noch enige zoon van een buitenlander onder de Zonen van Israël’ “ (Ezechiël 6-9 ).

Handelingen 17/4: “sommigen uit hun midden waren overtuigd, en sloten zich aan bij Paulus en Silas, evenals een groot aantal mensen van de aanbiddende Grieken.”

Opmerking: Dit is voorafgegaan door “ze kwamen naar Thessaloniki, waar een synagoge van de Judaïeten was. En in overeenstemming met wat gebruikelijk was bij Paul, hij ging te midden van hen, en drie sabbatten lang redeneerde hij met hen vanuit de rollen” (Handelingen 17/1-2). Dus, er waren in de synagoge van Thessaloniki "rollen"” en “aanbiddende Grieken”. Opnieuw, uiteraard Israëlieten of “de verspreiding van de Grieken”. De Ecclesia te Thessaloniki was Israëlitisch.

Handelingen 18/4: “[Paulus] redeneerde in de synagoge Sabbat aan Sabbat, en hij overtuigde Judaïeten en Grieken.”

Opmerking: Dit was in Korinthe. Dus de Korintiërs aan wie Paulus zijn brieven schreef, waren Israëlieten, kwamen samen in een synagoge, leden van het huis van Juda en het huis van Israël. Paulus' brief aan de Korintiërs is gericht aan “de Ecclesia groep van God die is in Korinthe, apart gezet in Christus Jezus, aangewezen als apart gezet volk” (1 Corinthians 1/2, Exodus 19/5-6). Israëlieten.

Acts 18/17: “Toen grepen alle Grieken Sosthenes aan, de voorzitter van de synagoge....”

Opmerking: Weer, het punt is dat er Grieken in de synagoge waren, dus zij waren Israëlieten.

Handelingen 19/10: “En dit gebeurde in twee jaar, zodat alle inwoners van Azië het orakel [8] van de Heer Jezus hoorden, beiden, Judaïeten en Grieken.”

Opmerking: Dus degenen op Paulus' reizen, de ontvangers van zijn brieven waren leden van de stam van Juda en leden van de verspreiding van de Grieken, die waren van de verspreiden van heet huis van Israël.

Handelingen 19/17: “En dit werd bij allen bekend, beiden Judaïeten en Grieken die in Efeze woonden, en vrees kwam over hen allen, en de naam van de Heer Jezus werd verheerlijkt."

Opmerking: Zie ook Handelingen 18/19: “En Paulus kwam te Efeze en liet hen daar, maar hijzelf ging in de synagoge en sprak met de Judaïeten.” Deze gelovigen te Efeze aan wie Paulus zijn brief zond verzameld in een synagoge en waren leden van het huis Juda en van de verspreiding van de Grieken. Dit is waarom zijn brief gericht is aan “de apart gezette mensen die te Efeze zijn” (Efeziërs 1/1), een Israëlitisch publiek. Verstoring van de beloften van God aan de stammen van Israël sijpelt naar binnen wanneer de gewijzigde versies verwijzen naar “Joden en niet-Israëlieten” en "heiligen”. Het huis van Juda en het huis van Israël kwamen samen in een synagoge te Efeze, aangeduid door Paulus als “apart gezet volk”. Geen wonder dan, dat Paulus in staat is te zeggen dat Christus had “afgebroken de middelmuur van de scheiding” (Efeziërs 2/14).

Handelingen 20/21: “Paulus was in Efeze en getuigt zowel aan de Joden en als aan Grieken onderwerping aan God, en geloof in onze Heer Jezus.”

Opmerking: Pauls getuigenis hier was over “de leiders van de Ecclesia" van Efeze (Handelingen 20/17). We begrijpen nu dat de Judaïeten en Grieken in de Ecclesia te Efeze Israëlieten waren.

Handelingen 21/28: “[de Judaïeten] riepen uit, ‘Mannen, Israëlieten, help! Dit is een man die iedereen overal onderwijst tegen het volk en de wet en deze plaats en, daarbij, hij bracht Grieken in de Tempel, En hij heeft deze toegewijde plek verontreinigd. “

Opmerking: Dit is de jaloezie van Juda tegenover het huis Israël. Paulus bracht Grieken in de Tempel, zeiden ze. Welnu, deze Grieken waren Israëlieten, “de verspreiding van de Grieken”.

Romeinen 1/14: “Ik ben verschuldigd aan zowel Grieken als aan buitenlanders, zowel aan de wijze als aan de onwijze.”

Opmerking: Deze Grieken in Handelingen zijn allen Israëlieten. De “buitenlanders” waren waarschijnlijk de Maltezen die goed waren voor Paulus (Handelingen 28/1-10).

Romeinen 1/16: “Ik schaam mij het evangelie van Christus niet, want het is de kracht van God tot redding voor iedereen die gelooft, beide, eerst voor de Judaïet first, daarna voor de Griek.”

Opmerking: Paulus zei dit in Jeruzalem. Het was dan, niet Jezus zelf die tot “de verspreiding van de Grieken” zou gaan (Joh. 7/35), maar zijn gezant Paulus.

Romeinen 2/9-10 : “Beproeving en angst op elke gedachten van een man die kwaad doet, beide eerst van de Judaïet, en van de Griek, maar heerlijkheid, eer, en vrede voor iedereen die goed doet, beide, eerst voor de Judaïet, en voor de Griek.”

Opmerking: Dit spreekt over de vloek en het oordeel over elke ongelovige uit de 12 stammen van Israël, en de eer en verheffing van de gelovigen uit de 12 stammen.

Romeinen 3/9 : “Wat dan? Hebben wij superioriteit? Ongetwijfeld niet, want we zijn eerder veroordeeld, beide, Judaïeten en Grieken zijn onder de zonde.”

Opmerking: Paul vraagt, retorisch, of de Judaïeten superior zijn omdat zij nog waren besneden en “vertrouwd waren met de orakels van God” (Romeinen 3/1-2). Paulus zegt “wij” omdat Juda wordt gerekend tot zijn stam Benjamin. Alle stammen van de Zonen van Israël zijn onder de zonde, en worden geroepen tot verzoening met God, en met elkaar, door Christus. In Romeinen 9/4 wordt aangetoond dat de “Israëlieten” de “superioriteit” hebben.

Romeinen 10/12 : “Er is geen verschil tussen Judaïet en Griek. Want dezelfde Heer van allen rijk is voor allen die Hem aanroepen.”

Opmerking: Ze zijn allen zonen van Israël. Dat had er nooit scheiding mogen zijn tussen hen.

1 Korintiërs 1/22 : “Judaïeten vragen om een teken en Grieken zoeken naar wijsheid.”

Opmerking: Zo was hun aard. Grieken hadden een traditie van het zoeken naar wijsheid, terwijl de Judaieten de machtige daden van God in herinnering riepen, de tekenen en wonderen.

1 Korintiërs 1/23 : “wij verkondigen Christus gehangen aan een paal: voor Judaïeten een struikelblok, en voor de Grieken dwaasheid.”

Opmerking: Voor de sceptische en ongelovige Grieken is het “dwaasheid” vanwege hun traditie van het zoeken naar wijsheid, maar de eenvoud van de evangelieboodschap sprak hun ijdelheid niet aan.

1 Korintiërs 1/24 : “tot hen die zijn aangewezen, beide Judaïeten en Grieken, verkondigen wij Christus, de kracht van God, en de wijsheid van God."

Opmerking: Zij die zijn aangewezen zijn zij die door God geroepen zijn als “de apart gezette natie” (Exodus 19\5, 1 Peter 2\9-10). De "Zonen van Israël” (Exodus 19\6).

1 Korintiërs 10/32 : “Wees zonder aanstoot, noch voor de Judaïeten, noch voor de Grieken, noch voor de Ecclesia-groepen van God.”

Opmerking: Dit betreft de getuige voor die buiten zijn – dus andere leden van de stam Juda en "de verspreiding van de Grieken” (Johannes 7\35), de verspreiden van het huis Israël.

1 Korintiërs 12/13 : “Want in één geest zijn wij ook allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Judaïeten of Grieken, hetzij slaven of vrije mannen. En wij werden allemaal vervaardigd om van één geest te drinken.”

Opmerking: De verzoening van Juda en Israël, nu gedoopt tot één lichaam van de Zonen van Israël.

Galaten 2/3 : “Evenwel, zelfs Titus niet die met mij was, zijnde een Griek, werd gedwongen zich te laten besnijden.”

Opmerking: De vader van Timotheüs was uit de verspreiding van de Grieken (Handelingen 16\1 en Johannes 7\35, 12\20 etc.), Zonen van Israël. Daar Paulus benadrukt, “zelfs Titus niet”, moet Titus een Israëliet zijn

Galaten 3/28 : “Er is noch Judaïet noch Griek. Er is noch dienaar noch vrije-man. Er is noch man noch vrouw. Want u bent allen één in Christus Jezus.”

Opmerking: Dit gaat verder: “En als u van Christus bent, dan bent u van het zaad van Abraham, en erfgenamen in overeenstemming met de belofte” (3/29). Beide, de Judaïeten en de Grieken waren “het zaad van Abraham”, daarom Zonen van Israël. “Gentiles” kunnen niet het zaad van Abraham zijn! Alleen die in Christus zijn worden tot het zaad gerekend. Want Paulus zegt “niet al deze van Israël zijn van Israël. Noch, omdat zij het zaad van Abraham zijn, zijn allen zonen, maar ‘In Isaak zal een zaad voor u worden genoemd.’ Dat betekent, deze Zonen van God zijn geen zonen naar het vlees, maar zonen van de belofte, geteld tot het zaad” (Romeinen 9/6-8). Degenen die niet in Christus zijn, worden niet geteld, dat is waarom Paulus zegt “als u van Christus bent, dan bent u het zaad van Abraham, en erfgenamen in overeenstemming met de belofte” (Galaten 3/29).

Colossians 3/11 : “er is noch Griek noch Judaïet, besnijdenis noch onbesnedenheid, buitenlander, Scyth, dienaar, vrije-man. Christus.” Opmerking: Allen werden één, gedoopt tot één lichaam. Grieken en Judaïeten hebben we aangemerkt als Israëlieten. De besnijdenis en onbesnedenheid hebben we aangemerkt als Israëlieten (Efeziërs 2/11). Diegenen die als buitenlanders worden beschouwd, zijn “de naties” hebben we aangemerkt als Israëlieten (Efeziërs 2/11 etc.). Dienaar en vrije man zijn ook Israëlieten; Er is geen reden om anders te denken. En de Scythen dan? Zij kwamen ook uit de verspreiding van Israël. Hier is genoeg geschiedenis over. Terwijl ze in gevangenschap in Babylon waren de Israëlieten bekend onder verschillende namen, één daarvan was de Scythen.

We zien hierbij dat wanneer het woord “Griek" voorkomt, het vaak wordt gebruikt in appositie [9] tot "Judaïeten". Van de 27 keer dat het woord ‘Ελλην (= Hellenen) voorkomt is het slechts 5 keer niet in appositie gezet tot “Judaïeten” (Johannes 12/20, Handelingen 17/4, 18/17, Romeinen 1/14, Galaten 2/3). Deze appositie van Judaïstisch en Grieks is omdat het hele Nieuwe Testament gaat over de verzoening van de stammen van de Zonen van Israël met God, en hun verzoening met elkaar, in Christus gedoopt tot één lichaam. Ze staan nu onder een nieuw en beter Verbond. Er is nauwelijks een woord dat eenvoudiger kan zijn voor vertalers dan het Griekse woord ‘Ελλην – het Griekse woord – betekenend Grieks, een eigennaamwoord. Eigennamen zijn het makkelijkst te vertalen omdat er geen alternatief is. Er kan sprake zijn van een kwestie van spelling en de beslissing of er vertaald of getranslitereerd moet worden. (Ik heb de Hebreeuwse namen en titels van God getranslitereerd, in plaats van ze te vertalen.) Nietemin – u zult het nauwelijks geloven – dit is niet hoe de vertalers het zagen. In Johannes 7\35 deden de King James Bijbelvertalers iets heel buitengewoons. Zij schreven dit: “zal hij heengaan naar de verspreiding onder de niet-Israëlieten en de niet-Israelieten onderwijzen?” Zij voegden “onder” toe, en ze veranderden de betekenis van dit heel eenvoudige woord ‘Ελλην in “Gentiles”. Maar dat betekent niet-Israëlitisch, toch was deze “verspreiding van de Grieken”, heel erg Israëlitisch. Vervolgens, verstoord die King James redenering over “niet-Israëlieten” de gehele rode draad van “de verspreiding onder de Grieken” die we hebben gezien in het evangelie van Johannes, Handelingen, en de brieven van Paulus. Als ze maar consequent waren geweest in hun skulduggery [10]. In Johannes 12/20 schreven ze: “En er waren zekere Grieken onder hen die kwamen om tijdens het festival te aanbidden”. Waarom schreven ze hier correct “Grieken”, maar in Johannes 7/35 “niet-Israelieten”? Mijn eerste principe van vertalen is grammatica. De tweede is Interne Harmonie. De derde en vierde zijn Onderzoek en Logica. De King James mannen had niet zulke principes. Wat ze blijkbaar hebben gedaan, is opschrijven wat ze dachten dat het betekende, of wat ze eigenlijk wilden dat er stond, wat ze dachten dat de schrijver moest hebben gedacht omdat dat was wat de vertalers geloofden. De mannen van King James hadden het goed door de Handelingen heen. Ze hadden het goed in Galaten. En ze hadden het goed in Colossenzen. In 1 Korintiërs 1/22, 1/23 en 1/24 hadden ze het goed. Maar in 1 Korintiërs 10/32 schreven ze “noch aan de Joden, noch aan de niet-Israelieten”. Dat zou het moeten zijn “noch aan de Judaïeten, noch aan de Grieken”. Waarom namen ze “niet-Israelieten”? Door “Joden” en “niet-Israelieten” te schrijven construeren ze een mythologie van Israëlieten en niet-Israëlieten. Het Nieuwe Verbond was met “het huis van Israël en het huis van Juda”, niet met “Joden en niet-Israelieten”.

En er is nog erger. In Romeinen 1/16 en 10/12 hadden de mannen van King James het goed. Maar in Romeinen 2/9, waar staat “eerst voor de Judaïet en voor de Griek” schreven zij “van de Jood eerst, en ook van de niet-Israëliet”. Toch bij 1/16 hadden ze geschreven “eerst aan de Jood, en ook aan de Griek”. In 2/10 deden ze het weer: “eerst aan de Jood, en ook aan de niet-Israëliet”. En in 3/9 deden ze het weer, schrijvend “beiden Joden en niet-Israelieten”. Dat zou het moeten zijn “beiden, zowel Judaïeten als Grieken”. Waarom konden ze dit eenvoudige woord niet met enige consistentie vertalen? Er waren problemen: ze vertaalden het hele Bijbel in een tijdsbestek van slechts acht jaar; ze waren gehaast door hun werkgever, King James; ze werden betaald voor hun werk; 50 van hen waren in commissies; ze waren geen mannen van de geest; Ze waren kerkmensen, bisschoppen, academisch gekleed; zij handhaafden de post-Babylonische mythologieën; zij waren onder de vervolgers van de separatisten die het land moesten ontvluchten; en bovenal werkten ze voor koning Jacobus en niet voor God. Ze begrepen niet wat ze in hun handen hadden met de rollen van God.

11. Cr) (= eretz), Strong’s Concordantie nummer h776; verkeerd vertaald als “aarde” in Psalm 37/11

Het Hebreeuwse woord ארץ (= eretz) komt vaak voor in de geschriften van het Oude Verbond. Het verschijnt voor het eerst in de opening van Genesis: “In het begin schiep God de hemelen en de ארץ” – Earth. Op veel plaatsen moet het evenwel begrepen worden in de context, aangezien het verschillende betekenissen kan hebben, “Aarde”, “land”, “vaderland”, “grond”, en zelfs het “volk op de Aarde” (zoals in Genesis 2/4, Jesaja 1/2, Jeremia 6/19). Onderscheidingsvermogen en het opmerken van de interne harmonie zijn nodig om te bepalen wat de schrijver bedoelt met ארץ (bijvoorbeeld in Jeremia 4/27-28).

In Psalm 37/3 David spoort zijn lezers aan om “te leven in het land [ארץ], en voed je met Zijn trouw.” Om te zeggen “leven in de Aarde” zou onzin zijn. Ze hebben daar geen keus in. In Psalm 37/11 zegt David, “de onderdanige zal het land beërven, en zij zullen zich verheugen in de overvloed aan vrede.” In 37/22, zegt hij “die verheven zijn door Hem, zullen het land beërven, en die vervloekt zijn door Hem, zullen worden afgesneden.” Dit zijn krachtige herhalingen van de beloften aan de patriarchen en de profeten om te bezitten – erven – het land dat door de grenzen was afgebakend en door God beloofd aan de Zonen van Israël.

Maar wat zeggen de vertalingen? De King James heeft het goed in Psalm 37/3. Maar in 37/11 heeft het “Maar de zachtmoedigen zullen de aarde beërven.” En in 37/22 heeft het “Want zij die door hem zijn gezegend zal de aarde beërven ...” Waarom zijn ze veranderd van "land", wat correct is, naar “aarde”? En wat betekent het om de “aarde te beërven”? God heeft Jezus Christus gezag over de Aarde gegeven. Niemand anders kan zeggen dat ze de aarde zullen beërven. De King James vernietigt de herinnering bij de Israëlieten van hun bezit van het beloofde land.

  1. γή (= gee), Strong’s Concordantie nummer g1093; verkeerd vertaald als “aarde” in Mattheüs 5/5

Het Griekse woord γή (= gee) is het equivalent van het Hebreeuwse woord ארץ (= eretz). In Mattheüs 5/5 citeert Jezus Psalm 37/11: “Verheven zijn de onderdanigen, want zij zullen beërven het γή ” - land -herinnert zijn publiek aan de belofte aan de patriarchen en profeten van het beloofde land, afgebakend binnen zijn grenzen.

Evenwel, opnieuw heeft de King James “zij zullen de aarde beërven.” Het zou land moeten zijn. Het idee van het erven van de planeet is weinig logisch. De planeet is het erfelijke eigendom van Jezus Christus en valt onder zijn bestuur, en zo zal het blijven totdat hij alles teruggeeft aan de Vader, als alles is rechtgezet. Jezus' verwijzing naar de beloften van het land zou zijn publiek herinneren aan die beloften aan de patriarchen eeuwen eerder, en herhaald door de profeten. Dus de King James Bijbel vernietigt de continuïteit van de beloften van het land aan de zonen van Israël. Dit “de Aarde beërven” is zo bekend en zo vaak gelezen, en wordt vaak zonder twijfel aangehaald, toch denken veel christenen dat ze hoe dan ook in de hemel zullen leven (ondanks de wetenschap dat Jezus naar de Aarde komt!), dus “de aarde beërven” is driemaal-dubbel betekenisloos.

 

In de verkeerde vertalingen van deze 12 woorden, lijkt het allemaal alsof, na het Oude Testament, het evangelie van Mattheüs begint iets nieuws: alsof het niet meer over de twaalf stammen van Israël gaat.; alsof de vijandigheid tussen het huis van Juda en het huis Israël allemaal op mysterieuze wijze is vergeten; alsof toen Paulus en de andere apostelen op reis gingen het met een universele boodschap was, en de vooraanstaande positie van Israël niet langer van enig belang of effect was; alsof God is de beloften aan de twaalf stammen van Israël vergeten; alsof Gods doel met betrekking tot de verkiezingen is vergeten; alsof de langdurige en afgodische vijandelijke naties van Israël plotseling waren opgenomen in het Nieuwe Verbond. Terwijl Paulus zegt, “het doel van God met betrekking tot de uitverkiezing zou blijven bestaan” (Romeinen 9/11). Maar je zou denken vanuit de King James Bijbel dat de Nieuwe Testament draait helemaal om kerken die proberen naar de Hemel te gaan om hun "drie-eenheid" te zien.. Toch, ondanks alle vertaalfouten, er zijn enkele ijverige zoekers van de orakels van God die begrepen de waarheid over de beloften aan Israël van Mattheüs tot Openbaringen. Andere volken zijn niet Israël; en zij zullen niet zijn, zoals de twaalf stammen van Israël zullen zijn, “boven alle andere volkeren op aarde” (Exodus 19/5-6, Deuteronomium 7/6, 7/14, 28/1, 2 Timotheüs 1/12, Openbaring 21/12-26 etc.); we spreken over Israël van de Bijbel, niet het moderne Israël. Andere volken zijn niet geroepen om een gezaghebbend orgaan te zijn in het Nieuwe Jeruzalem, waarvan John een visioen zag over “de namen die zijn ingeschreven welke namen zijn van de twaalf stammen van de Zonen van Israël” en de namen “van de twaalf apostelen van het Lam” (Openbaring 21/12-13). Nu, wie die twaalf stammen van de Zonen van Israël zijn, is een andere zaak voor een andere keer.

 

Christopher Sparkes.

Vanuit het Engels vertaald door Nicole Hoogendoorn

Voetnoten:

[1] 1. שמטם (= shamayim) heeft verschillende betekenissen, zoals bijvoorbeeld in Daniel 4/26, waar “De hemel heerst” staat voor “God regeerd”, “Hemel” hier is שמטם In Jesaja 1/2 roept de profeet uit, “Hoor, u hemelen שמטם en u aarde!”; “hemelen” en “Aarde” staan, door de literaire figuur metonymie, voor hen die daarin wonen. In Deuteronomium 4/26 zegt Yahweh tot Mozes, “Ik roep de hemelen en de aarde aan als een getuige tegen u”. We hebben hetzelfde metonymische gebruik van Heaven in het Engels wanneer we zeggen “De hemel weet het!”, waarbij we bedoelen dat “Alleen God het weet”. Zie voor verdere metonymische toepassingen in het woord van God, bijvoorbeeld, Genesis 2/4, Deuteronomium 11/21, 30/19, 31/28, 32/1, Jesaja 1/2, 13/13, 44/23, 65/17, Jeremia 6/19, 14/22, 22/29, Micha 1/2, 6/2, Haggai 2/6, 2/21, Psalm 33/8, 50/4, 50/6, 89/29, Job 15/15, Daniël 4/26, Lucas 15/18, Johannes 3/12, Hebreeën12/25-26, 2 Petrus 3/10, Openbaringen 12/12, 18/20, 21/1

[2] Synecdoche: Stijlfiguur van de gedeeltelijke aanduiding

[3] Het Engelse ‘Gentile’ is een raciale term. Het betekent ‘niet-Israëliet’, in tegenstelling tot een Israëliet. Het woord ‘heathen’ is een algemeen woord en duidt op ‘ongelovige’ of ‘afvallige’, in het Nederlands vertaald als ‘heiden’.

[4] Geslacht, of ‘ras’

[5] Synecdoche, stijlfiguur waarbij een klein deel en een groter geheel met elkaar in verband worden gebracht. Er zijn twee tegengestelde vormen:

  • Een deel duidt in werkelijkheid een groter geheel aan.
  • Een groter geheel duidt juist een deel aan.

[6] de rollen of de geschriften

[7] mamzer of bastaard

[8] orakel of godsspraak

[9] appositie à bijstelling

[10] skulduggery àSluwe, bedrieglijke en vaak illegale regelingen of acties